Nooit aan de borst

Een periode wordt definitief afgesloten. Mijn jongste Nathalie, bijna 2 jaar, heeft haar laatste borstvoeding gehad. Met een tevreden gevoel kijk ik terug op de jaren die ik mijn kinderen heb gevoed. Nathalie bijna 2 jaar. Eveline bijna 2 jaar. Christian… tja. Dat is eigenlijk een ander verhaal. Hij heeft wel 10 weken moedermelk gehad dankzij een goede borstkolf, maar de feitelijke borstvoeding is mislukt. Op zich geen vreemd gegeven, zeker bij een eerste kindje. Het gaat niet altijd soepel en het gaat ook zeker niet altijd goed, zeker in ons Nederland waar de begeleiding op borstvoedingsgebied –in mijn ogen- soms ernstig te kort schiet door gebrekkige kennis. Toch kan ik het het niet nalaten me nu af te vragen, wetende wat ik nu weet, of de mislukte borstvoeding relatie heeft met zijn autisme, zijn ontwikkelingsachterstand.

Voor een succesvolle borstvoeding zijn er 4 vaardigheden die een pasgeboren nodig heeft. 1) Voldoende sterke spieren in het mondgebied, 2) voldoende coördinatie van verschillende spieren in mondgebied, 3) voldoende beweeglijkheid in het mondgebied, 4) voldoende (en adequaat) gevoel in het mondgebied. Problemen op een van deze gebieden kan zich vertalen naar borstvoedingsproblemen. Een gezonde à terme geboren baby bezit deze vaardigheden meestal, maar het is bekend dat dit anders kan zijn bij bijvoorbeeld kinderen met neurologische problemen, te vroeg geboren kinderen, kinderen met vertraagde ontwikkeling (onrijpheid), kinderen met een zintuiglijke handicap zoals blindheid. Autisme wordt hier niet specifiek genoemd, maar ik denk dat ik daar wel duidelijke aanknopingspunten vind om mijn borstvoedingsperiode Christian beter te begrijpen.

Christian werd geboren bij een termijn van ruim 41 weken. Misselijkheid –hij had bloed en vruchtwater ingeslikt, dat hij in een 4-tal keer uitgespuugd heeft- en wellicht ook wennen aan buitenwereld na de snelle bevalling zorgden ervoor dat hij de eerste 24 uur geen enkele interesse had in de borst. Daarna begon het maagje toch te knagen en wilde hij drinken. Maar die borst? Wat moet je er mee? Het was duidelijk dat Christian dat niet wist. We deden allerlei pogingen om hem aan te leggen, maar happen deed hij niet. Als de tepel enigszins in zijn mond kwam, wendde hij zijn hoofdje af en ging nog harder huilen. Eén keer, slechts één keer in zijn leven, leek hij de tepel even goed vast te hebben, maar drinken deed hij niet en liet ook binnen enkele seconden weer huilend los. Onder begeleiding van kraamhulp begon ik moedermelk af te kolven, die we hem dan eerst met een spuitje gaven, maar na een paar dagen werd dat een flesje. Ook dat ging niet soepel overigens, het was ook een zoektocht naar een fles waar hij rustig zonder knoeien uit kon drinken, zonder dat hij daarna weer alles uitspuugde. Een lange dunne speen van het merk Dodie –het vijfde, zesde merk dat we probeerden?- was de enige waarmee hij uit de voeten kon. In de tussentijd probeerde ik iedere keer weer om hem aan te leggen, maar hij hapte niet, deed zijn mond niet ver genoeg open, wendde zijn hoofdje af en huilde, huilde vooral heel hard –en ik, doodop en gefrustreerd, huilde met hem mee. Na twee weken kon ik het emotioneel niet meer aan om hem die borst aan te bieden, die hij al zo vaak afgewezen had. En is hij dus met de fles groot geworden. Waarom liep het zo? Waar was dat aangeboren overlevingsinstinct dat baby’s in staat stelt om zichzelf aan te leggen en te drinken?

Op dat moment begreep ik het niet en ik was gedesillusioneerd. Borstvoeding geven bleek toch een stuk moeilijker te zijn dan ik dacht. Ik had het gevoel dat ik gefaald had, als moeder. En ik was intens jaloers op berichtjes in de trant van “Hij drinkt goed aan de borst, een natuurtalentje!”. Het was duidelijk dat Christian geen natuurtalent was. Wetende wat ik nu weet, over borstvoeding, maar vooral ook over mijn zoon, zie ik welke obstakels moeder natuur voor hem had neergelegd.

Voldoende kracht en coördinatie van spieren in het mondgebied

Dit wordt ook wel mondmotoriek genoemd. De ontwikkeling van Christian is doordrenkt met signalen die wijzen op onrijpheid en zwakte op dit gebied, dit moet hem dus in de kraamweek al behoorlijk parten hebben gespeeld. Denk hierbij aan vaak spugen, slecht kauwen, stukjes voedsel in de wang ‘bewaren’ –hamsteren- na geslikt te hebben, overvloedig kwijlen (tot ongeveer 4-4,5 jaar oud), constant met open mond rondlopen, slordig afhappen van een lepel,  mond erg vol proppen tijdens het eten, slechte articulatie tijdens het praten, moeizaam leren drinken uit een gewone beker, pas op latere leeftijd (ouder dan 4 jaar) met een rietje kunnen drinken. Hij is nu 8 jaar oud, maar lispelt nog steeds en is ook nog steeds niet in staat om een kaarsje uit te blazen of überhaupt fatsoenlijk zijn lippen te tuiten. Slecht kauwen is ook nog steeds actueel en het komt dan nog met enige regelmaat voor dat hij te grote brokken probeert af te slikken, wat resulteert in spugen.

Voldoende beweeglijkheid in het mondgebied

Christian heeft een jaar of vier individuele logopedie gehad en in die verslagen komen telkens dezelfde termen bovendrijven. Naast de zwakke mondmotoriek, slappe spieren van lippen en tong, wordt ook telkens een kort tongriempje met lage tongpositie beschreven. Het is bekend dat korte tongriempjes gepaard kunnen gaan met aanzienlijke borstvoedingsproblemen, vooral op het gebied van aanleggen. Ik zei zelf altijd: “Hij heeft een klein mondje.” En dat was ook zo, als ik het vergeleek met de –in mijn ogen- gapende gaten die andere baby’s in mijn omgeving konden maken. Veel te klein om goed een tepel(hof) in de mond te nemen. Nu zal ik vast niet de meest optimale manieren van aanleggen hebben geprobeerd –ik heb pas bij Nathalie, mijn derde, echt begrepen hoe dit moet en waar je op let- maar nu vraag ik me toch af: dat tongriempje? Zou dit hem gehinderd hebben om goed te happen? Kon hij zijn mond überhaupt wel ver genoeg open doen?

Voldoende en adequaat gevoel in de mond

De slechte mondmotoriek en een kort tongriempje maakte het Christian wellicht heel lastig om tepel goed in de mond te nemen en te drinken, maar eigenlijk was het grootste probleem dat hij het niet eens probeerde. Hij wilde niet, hij hapte niet. Ik vermoed dat hier zijn problemen met sensorische integratie een grote rol hebben gespeeld. De tastprikkels die hij uit het mondgebied kreeg, werden –en worden nog steeds- anders verwerkt dan in een gemiddeld brein. Zachte kriebelige aanrakingen worden door hem als pijn ervaren, terwijl heel stevige aanrakingen hem juist rust geven. Ik stel me zo voor dat een zachte tepel in de categorie ‘zachte kriebelige aanraking’ zou kunnen vallen en hem dus –letterlijk- pijn deed. Waardoor hij heel snel genezen was van de neiging om te happen en een aversie tegen de borst kreeg. En zich afwendde van deze bron van pijn.

Speculaties. Terugkijken. Meer heb ik nu niet. Ik zal nooit weten precies waarom het toen misliep, hoewel ik dus wel mijn theorieën heb. Deels ligt het ook aan mezelf. Een lactatiekundige had mij wellicht verder kunnen helpen, maar toen men vier weken na de bevalling dit voor het eerst suggereerde kon ik –oververmoeide, kwetsbare, emotionele, voor de eerste keer moeder- de puf niet meer opbrengen. Ik beschermde mezelf tegen de pijn van afgewezen te worden door mijn baby, het gevoel te falen en besloot door te gaan met het geven van uitsluitend flesjes afgekolfde moedermelk. Dat vond ik al heel wat van mezelf, een hele investering waar ik nog steeds trots op ben, al was het maar voor 10 weken. Maar toch. Ik heb hem niet aan de borst gehad. Ik merk dat ik dit Kleine Verdriet nog steeds, na acht jaar, bij me draag. Ik hoop dat de generaties vrouwen na mij veel beter begeleid zullen worden, meteen in het kraambed al en niet zullen schromen om snel gespecialiseerde hulp te vragen. Borstvoeding geven is niet zo makkelijk als het lijkt…

Bij de rechtbank

“Omdraaien.” De stoïcijnse bromstem van de beveiliger maakt dat ik snel mijn gezicht afwend en me omdraai, armen wijd uitgestoken. De kleine metaaldetector vliegt over me heen, nadat ik al door het poortje ben geweest en mijn tas gelijktijdig door de scanner aan het rollen is. Ik ben voor het eerst van mijn leven in een rechtbank. De veiligheidsmaatregelen –hoewel natuurlijk logisch- maken de steen in mijn maag alleen nog maar groter. Gelukkig begint er niets te piepen en kunnen we doorlopen naar de centrale hal, waar we opgewacht worden door onze advocaat. Mensen in toga en met dure attaché-koffertjes lopen heen en weer en ik besef dat ik in een geheel onbekende wereld beland ben. Ik ben blij dat we bijgestaan worden, want ik voel me verloren en gespannen.

Na kort doorspreken en vooral ook wachten, is het moment daar. We worden opgeroepen en samen met de tegenpartij –dezelfde jurist als bij de hoorzitting, lang geleden- lopen we naar een kleine zaal. Daar zit de rechter. De man die de macht heeft ons leven te veranderen. Het is een grijze man met strenge blik, bijgestaan door een jonge griffier, beide in toga. We nemen met onze advocaat plaats in de ene hoek van de ruimte. Ik haal een keer diep adem en luister. De rechter begint met het voorlezen van wat DE cruciale passage is waar de hele zaak eigenlijk om draait. De conclusie van de GGD-arts is niet eenduidig: “Voor wat betreft zijn gevoeligheid voor onvoorspelbare zaken en afwijkingen van de vaste routine kan Christian dan wel met begeleider met openbaar vervoer reizen, maar zal hij door de ontstane overprikkeling daarna moeite hebben zich op school te concentreren op de lesstof. Zijn motorische onrust kan storend zijn voor zijn medeleerlingen.”

De gemeente heeft gelezen ‘hij kan met openbaar vervoer’ en daarmee dus ook ons bezwaarschrift afgewezen. Mijn interpretatie is juist dat het dus niet kan, gezien de nadelige gevolgen ervan –al staat dat er niet met zoveel woorden. Dit is ook precies hoe onze advocaat het las en het blijkt ook de manier waarop de rechter de tekst heeft opgevat. Een bemoedigend begin. De jurist van gemeente wordt gevraagd toe te lichten hoe ze tot deze andere interpretatie is gekomen, die eigenlijk ook niet strookt met de rest van het verslag van de GGD-arts. En waarom ze de GGD-arts niet benaderd hebben om zijn verslag te verduidelijken, om zeker te zijn wat hij met zijn woorden bedoelde? De dame van de gemeente knippert even met haar ogen en zegt dan simpelweg dat zij het verslag heel duidelijk vond. Ze straalt onschuld uit als ze verwonderd opmerkt: “Goh, ja… zo kun je het ook lezen.”

Dan krijgt onze advocaat het woord. Hij licht de kernpunten van zijn reeds ingediende beroep toe, waarbij ook de bewuste passage van GGD-arts een centrale rol speelt. De rechter stelt vragen over en weer, bladert in de stukken die in een grote stapel voor hem liggen. Ik volg het allemaal nauwgezet –al is een deel van mij lichtelijk verbaasd dat de rechtbank blijkbaar nog nauwelijks in een digitaal tijdperk is beland, zelfs de griffier schrijft alles handmatig op. Het onderwerp prikkels komt ter sprake en de rechter vraagt de jurist om toelichting betreffende een van haar eigen uitspraken in de bezwaarschriftbeslissing: “Het feit dat hij gevoelig is voor tastprikkels en daardoor niet in een volle bus kan reizen, maakt dit niet anders, omdat het reizen met een taxibusje hetzelfde teweeg brengt.” Ik ben erg nieuwsgierig wat ze hierop te melden heeft, want dit is ook een zin waar ik erg over gevallen ben.

“Tja, hij krijgt de hele dag prikkels, vanaf het moment dat hij opstaat, tot hij weer naar bed gaat. Op welke manier hij ook vervoerd wordt, hij krijgt toch wel prikkels. Daar kunnen wij niets aan doen, dus maakt het niet uit.” Ze zegt het heel kalm. Ik krijg zin om haar eens flink af te katten. Geen benul, geen enkel benul. Duidelijk dat ze echt geen sikkepit van autisme weet of begrijpt. Dat is natuurlijk ook niet erg, dat is niet haar vak, maar ze heeft toch met haar ‘boerenverstand’ een beslissing genomen alsof ze het wel weet. De rechter is erg kritisch en pint haar hier genadeloos op vast. “Welke medische grondslag heeft u hiervoor? Ik lees in het verslag van GGD-arts dat hij niet in een volle bus kan reizen. Maar u zegt dat het wel kan?” De jurist draait erom heen, ontwijkt de vraag, tot de rechter bars uitroept: “Geeft u nu eens antwoord op de vraag! Welke medische grondslag?” Het is even stil, voor de jurist bekend dat die er niet is. Er is geen enkele arts die heeft gezegd dat een stadsbus en een taxibusje hetzelfde zijn, dat puur een hersenspinsel van haar. De rechter vraagt zich af of het college tegenwoordig ook al medisch onderlegd is?

Weer een ‘puntje’ voor ons. Het lijkt erop dat de rechter op onze hand is. De jurist speelt dan haar troef uit. Ze vraagt de aandacht voor hoe het nu gaat, waarom zou aangepast vervoer nodig zijn, als ouders het al ‘opgelost’ hebben met carpoolen? De advocaat had ons al laten weten dat ze daar over zou beginnen en dat is –helaas- een legitieme vraag. Ik probeer zo goed mogelijk uit te leggen dat –hoewel uiteraard beter dan openbaar vervoer- het carpoolen niet ideaal is. Omdat je samen met een andere ouder ‘werkt’, is flexibiliteit toch wel belangrijk. Ziekte, doktersafspraken, gesprekken op school, andere belangrijke bezigheden, regelmatig moet er afgeweken worden van ons schema. Bovendien zitten er met regelmaat opeens vriendjes/speelafspraakjes of andere volwassenen in de auto van de andere carpoolende ouder, waar Christian geheel niet op voorbereid kan worden. Bovendien –al begrijp ik dat de gemeente en de rechtbank daar geen boodschap aan hebben- botert het niet zo tussen Christian en dat andere jongetje. Ik heb al vaak gedacht om te stoppen met het carpoolen, want dat zou voor Christian echt beter zijn. Maar ja. Dat mocht niet van school en eerlijk gezegd zou ik het vele autorijden zelf niet volhouden zonder overspannen te worden of ernstig beperkt door mijn bekkeninstabiliteit.

De zitting loopt ten einde en mijn hele lijf is gespannen. Er hangt zoveel vanaf voor Christian, voor ons gezin. De rechter bladdert nog door de stukken en de stilte in de ruimte is beladen. Dan vouwt hij zijn handen samen en kijkt op. Ik zit op het puntje van mijn stoel, met bonzend hart. “Ik ga de zitting schorsen voor verder onderzoek, dat lijkt mij het beste.” Huh? Wat? De rechter legt uit dat hij van de GGD-arts toelichting wil hoe hij de bewuste passage heeft bedoeld, omdat het niet duidelijk is. En uiteraard alleen een medicus kan zeggen of Christian nu wel of niet met openbaar vervoer kan –er wordt een strenge blik in de richting van de juriste geworpen. Als zijn woorden bezinken begrijp ik het wel. Hij gaat natuurlijk niet dezelfde ‘fout’ maken, die hij de juriste van gemeente zo streng voor de voeten heeft geworpen. Echt, ik begrijp dat dit de enige logische beslissing is. Maar de anti-climax is verstikkend. Ik had zo gehoopt om er vanaf te zijn, een stap verder te kunnen zetten, iets af te kunnen ronden. Maar het zal voorlopig dus nog –voor onduidelijke termijn- voortslepen. We lopen naar buiten. Hoewel er genoeg reden is voor positiviteit in de beleving van de advocaat –de rechter leek echt op onze hand te zijn- bescherm ik mezelf tegen iedere vorm van optimisme. Ik neem de steen in mijn maag weer mee naar huis, mijn zorgen onverminderd. ‘Cause it ain’t over, till it’s over…

Keukentafelgesprek

Er is geen ontkomen aan. Of ik nu wil of niet, of mijn gemeente er nu klaar voor is of niet, per 1 januari 2015 is de Jeugdwet van kracht. De begeleiding die ik al jaren vanuit de AWBZ (algemene wet bijzondere ziektekosten) betaalt krijg, is nu opeens een taak van de gemeente geworden. Decentralisatie noemen ze dat. Een duur woord voor uitkleden, bezuinigen. Het wordt aan de man gebracht onder het mom ‘uitgaan van de eigen kracht van jeugdigen en hun netwerk, dichter bij huis, eenvoudiger en goedkoper’. De uitvoering is van start gegaan, maar alle betrokken partijen zijn nog onwennig, zoekende en soms zelfs ronduit onwetend welke procedures op welke wijze doorlopen moeten worden.

In onze zoektocht naar het beste voor Christian kwam onze kinderpsychiater begin januari met het voorstel om hem naar naschoolse dagbehandeling te laten gaan, zodat hij in een prikkelarme gestructureerde omgeving meer 1-op-1 begeleiding en coaching zou kunnen krijgen en op deze wijze nieuwe vaardigheden zou kunnen aanleren. Iets dat wij hem thuis –met alle dagelijkse beslommeringen en aanwezigheid van zusjes- niet kunnen bieden. Een goed plan, waar hij en wij alleen maar beter van kunnen worden. Maar één nadeel. Wij zitten na 1 januari 2015 en dus moeten we voor de financiering van dagbehandeling aankloppen bij onze gemeente. En nee. Gastenhof wist niet precies hoe dat in zijn werk ging, behalve dan dat wij het zelf moesten doen.

Een zoektocht op de gebruiksonvriendelijke website van mijn gemeente leidde mij naar een telefoonnummer waar ik mijn kind dan wel mijn zorgvraag kon aanmelden bij Team Jeugd. Half januari heb ik gebeld. Een vriendelijke dame aan de andere kant van de lijn noteerde kort onze gegevens en wij zouden gebeld gaan worden om een ‘keukentafelgesprek’ af te spreken. Een van de vereisten in de Jeugdwet is dat er een dialoog met ouders wordt aangegaan en dat men dus op huisbezoek moet komen om de zorgvraag te inventariseren en te bespreken –hoe dat tot bezuinigingen leidt, is mij een volstrekt raadsel, maar dat terzijde. Na een tweetal weken kwam dat telefoontje en nog eens dikke twee weken daarna zaten wij aan onze eettafel te wachten op de komst van medewerkster van Team Jeugd –eind februari inmiddels. Gespannen, geen enkel idee wat er van te verwachten.

Ze arriveert en als we allemaal zitten, begin ik meteen met mijn eerste vraag. Wat voor achtergrond heeft deze dame? Ze legt uit dat ze jeugdwerker is. Haar ‘ervaring’ betreft vooral het maken van beleid, haar ‘visie’ is gericht op preventie, de eigen kracht van mensen, het denken in mogelijkheden in plaats van problemen, het relativeren van situaties, voorkomen dat dingen problematisch worden. Het ontbreekt haar niet aan passie –al dan niet opgedragen door de gemeente, of echte overtuiging- en ze spreekt toch zeker tien minuten over dit onderwerp. Ik knik en luister. Mijn hart klopt inmiddels in mijn keel en ik kan alleen maar denken: je weet dus niets van autisme, niets van verstandelijke beperking, geen benul van hoe ons leven er uit ziet. En wij zijn van deze vrouw afhankelijk om felbegeerde zorg toegewezen te krijgen? De moed zakt me in de schoenen en ik kan wel janken.

Dan worden we uitgenodigd om te vertellen welke problemen wij hebben, waarom wij Team Jeugd hebben ingeschakeld. Mijn man en ik vallen over elkaar heen om vooral maar zoveel mogelijk te vertellen waar wij tegen aan lopen, waarom de dagbehandeling nodig is, waarom ze ook zeker niet ons bestaande PGB moeten afpakken. De dame van de gemeente knikt en luistert aandachtig, maar maakt ook opmerkingen die mijn angst bevestigen. “Hebben jullie wel eens gehoord van triple-P? Als er weer eens een lezing is, zouden jullie echt eens kunnen komen. Daar kun je ook andere ouders ontmoeten, horen welke problemen zij ervaren en dan ontdekken dat je niet de enige bent. Problemen lijken dan ook zo groot niet meer, dan kan heel fijn relativeren.” Ik kreun inwendig. Geen benul. Geen enkel benul. Wat valt er te relativeren aan een autistische driftbui? Aan een overprikkeld kind dat geen seconde stil zit, geen seconde stil is? Uit angst dat ze de situatie zwaar onderschat, draag ik voorbeeld na voorbeeld aan. Maar toch, ik krijg mijn autistische zoon met licht verstandelijke beperking en alle hulpverlening die wij afgelopen 5 jaar al hebben gehad niet uitgelegd in 45 minuten aan iemand die niet eens verstand heeft van gedragsproblemen. Het gesprek geeft me een onbehaaglijk gevoel en ik weet niet wat ik er van moet denken als de deur weer achter haar dicht valt.

Een paar dagen later ontvangen we een email met een bijlage: het familiegroepsplan. Met het verzoek of ik het document wil invullen of laten invullen in samenspraak met betrokken hulpverleners, zodat ze aan de hand daarvan ons geval kan bespreken met de gedragswetenschapper –universitair geschoolde medewerker die dus wel iets van autisme weet. Het betekent in feite dat Team Jeugd niets doet tot ze dit document in handen hebben. Ik begrijp er niets van. Waar was dat keukentafelgesprek dan in hemelsnaam goed voor? En waarom, als dit document noodzakelijk is, heb ik niet dit document niet meteen bij telefonische aanmelding gekregen? Dan had ik dit al weken geleden kunnen aanleveren en had het document de basis van het keukentafelgesprek kunnen zijn. En had mij weken wachten bespaard! Ik kan wel gillen van frustratie maar ga meteen zitten voor dit familiegroepsplan.

Dat blijkt toch nog niet zo eenvoudig. Het zijn 8 pagina’s en ze willen veel weten. Hulpverleningsvoorgeschiedenis, problematiek in het gezin, verwachtingen ten aanzien van hulpverlening, krachten van betrokkenen, ‘wat moet er veranderen om het beter te maken?’ en als klap op de vuurpijl een plan van aanpak waarin doelstellingen SMART geformuleerd worden. En dat dan voor pakweg 15 leefgebieden afzonderlijk. Gezien het pervasieve –alles doordringende- karakter van autisme kan ik op ieder leefgebied wel meerdere problemen benoemen. Tien uur. Zo lang heeft het mij gekost voordat ik alles enigszins had ingevuld. Uit angst om beschikking niet te krijgen heb ik ook echt moeite gedaan om alles op te schrijven.

Inmiddels is het begin maart, twee maanden nadat de psychiater het idee van dagbehandeling kreeg, en krijgen we een email van de dame van Team Jeugd, die onze ‘procesmanager’ heet te zijn. Dat er schriftelijke informatie van psychiater moet komen voor beschikking opgesteld kan worden. Ik maak er meteen werk van. Ik mail, ik bel, ik bedel, ik zeur. Maar ik kan geen ijzer met handen breken en onze contacten bij Gastenhof hebben het druk –door bezuinigingen. Minder mensen, meer werkdruk. Dus we wachten. En wachten. Tot ik het punt bereik dat ik besluit Gastenhof te stalken, in de hoop dat ze me zo irritant gaan vinden dat het snel opgelost wordt.

Eind maart, ruim drie weken later, krijgen we een telefoontje van onze procesmanager van Team Jeugd. Of we de brief van psychiater al hadden? Als wij dat goed vonden, dan wilde ze ook wel telefonisch contact opnemen met Gastenhof, om te voorkomen dat we allemaal op een brief zaten te wachten. Dan zou ze de beschikking maken, dan kwam die brief later wel. Op dat moment kan ik haar wel iets aandoen, één brok frustratie, en ik vloek heel, heel hard. Had ze dit niet drie weken eerder kunnen bedenken?? Toevallig kwam net op die dag ook –eindelijk- de brief, die ik meteen gescand en doorgestuurd heb. Na een week kwam reactie. Met deze ‘nieuwe’ informatie zou ze de situatie bespreken met de gedragswetenschapper en dan kunnen we over een dikke week de beschikking verwachten. Half april. Drie maanden dus, sinds ik voor het eerst bij de gemeente heb aangeklopt. Drie maanden wachten, drie maanden frustraties.

Dichter bij huis. Eenvoudiger. Goedkoper. Nou, ik zie het nog niet hoor. Wat een gedoe deze nieuwe Jeugdwet. Ik zal blij zijn, de dag dat mijn zoon zijn eerste stap over de drempel van de dagbehandeling zet en het eindelijk geregeld is. En dan energie verzamelen. Want een beschikking wordt afgegeven voor één jaar… En daarna mag ik opnieuw gaan bedelen bij de gemeente. Laten we hopen dat het verlengen van een bestaande beschikking een stuk eenvoudiger is…