Even naar de winkel

Ik zucht als ik naar de inhoud van mijn keukenkastje kijk. Er zit niets anders op. Als ik straks wil lunchen, zal ik nu even naar de winkel moeten lopen. Er ligt een supermarkt op ongeveer vijf minuten lopen, dus je zou zeggen dat dit geen grote opgave zou moeten zijn. Toch baal ik enorm. Want ik ben thuis met drie kinderen en als ik naar de winkel moet, zullen ze ook alle drie mee moeten. Een vermoeiende onderneming die ik zo veel mogelijk probeer te vermijden, maar de lege broodtrommel laat mijn geen keuze. Ik ben boos op mezelf, dat ik niet eerder in de gaten had dat het brood op was, dat ik steken heb laten vallen in mijn wekelijkse boodschappenplanning. Maar wat moet, dat moet.

“Nee! Nee! Ik wil niet naar de winkel!” Christian begint meteen te sputteren en ik zie aan de blik in zijn ogen dat het ook eigenlijk geen goed idee is in zijn huidige gemoedstoestand. Hij heeft geen goede dag. Maar ik duw door. Hongerige kinderen hebben nog nooit de sfeer verbeterd, dus lunchen heeft grote prioriteit. Het kost de nodige tijd voordat ze alle drie hun schoenen en jas aan hebben en dan volgt nog het ritueel van kiezen van object c.q. speelgoedje dat in de hand meegenomen moet worden. Het huis verlaten zonder iets in zijn hand is voor Christian vrijwel onmogelijk. Ik vermoed dat hij het speelgoed nodig heeft om hem te helpen met de overgang van het ene naar het andere situatie en dat het hem vooral ook gevoel van veiligheid biedt. Een kleine stukje thuis in de palm van zijn hand. Als het aan hem ligt, zou hij zo tien dingen mee willen nemen –en oh wee als je daar dan onderweg eentje van kwijtraakt!- dus wij beperken het meestal tot twee dingen. Eén in iedere hand. Omdat het niet strookt met zijn eigen plannetje, geeft dit vrijwel altijd discussie waarbij veel gezeurd wordt. En daarbij heeft hij ook moeite met kiezen en de neiging zich te bedenken en toch voor een ander speelgoedje te gaan. Minuten tikken weg.

Maar we zijn vertrokken. Het is gelukkig droog dus we lopen rustig over het voetpad. Nathalie wil uiteraard ook zelf lopen, maar is zoals een tweejarige betaamd langzaam en snel afgeleid. Ik merk dat het moeizame tempo Christian al op zijn zenuwen begint te werken na slechts twee minuten lopen. Een minuut later valt Nathalie in een plas. Handjes vies, broek nat en vies, en vooral huilen. Terwijl ik druk bezig ben haar te sussen en te fatsoeneren zie ik Christian vanuit mijn ooghoek gespannen rondjes draaien, tot hij opeens zonder iets te zeggen weg beent. Hij neemt grote passen en het is overduidelijk een vluchtreactie. Het huilen is hem te veel. Meestal is hij redelijk te vertrouwen als we aan het lopen zijn, maar in deze geprikkelde gemoedstoestand weet je het maar nooit, dus ik roep dat hij bij me moet blijven. Even lijkt het alsof hij niets gehoord heeft, maar op honderd meter afstand blijft hij staan onrustig rondjes draaiend. We halen hem in en we vervolgen onze weg.

Op een stuk voetpad met struiken aan weerszijde worden we opeens verrast door twee honden die de hoek om komen. Ze zitten vast aan een riem, maar wel zo eentje die uitrekbaar is en het baasje loopt zeker tien meter achter haar dieren aan. De hondjes hebben alle vrijheid en lopen dus zo kwispelend, snuffelend, kwijlend, hijgend op mijn kinderen af. Volstrekt in paniek beginnen zowel Christian als Eveline hysterisch te gillen en proberen te ‘ontsnappen’ aan die beweeglijke natte neuzen die tegen hun benen duwen. Op het gemak –zonder haar honden bij zich te nemen- loopt het baasje langs, kijk met grote ogen naar het drama dat zich voor haar neus afspeelt. Als ze gepasseerd is en de honden eindelijk weer een beetje afstand houden van mijn kinderen, draait ze zich verontwaardigd naar mij toe. “Wat is DIT voor iets!?” Het is duidelijk dat ze geen greintje empathie of begrip kan opbrengen voor mijn kinderen met een hondenfobie. Met twee snikkende, trillende kinderen en een huilende peuter tegen mijn benen geklemd benoem ik het overduidelijke: ze zijn bang voor honden. Het baasje snuift en zegt boos tegen me: “Nou, dan zou ik ze dat maar eens afleren! Wat een belachelijk gedoe zo.”

Ik onderdruk de neiging om haar de huid vol te schelden –Asociale trut! Als het zo makkelijk was, dacht je dan niet dat ik mijn kinderen allang van hun angst had afgeholpen!? Ik heb andere prioriteiten dan een zinloze discussie aangaan met kortzichtige mensen die niet eens het fatsoen hebben om hun hond in toom te houden. Zo goed en kwaad als het kan sus ik al mijn kinderen en na een paar minuten kunnen we weer verder lopen naar de winkel. Christian sleept zich voort, nog bijna trillend van de spanning in zijn lijf. Hij zit al zo dicht bij zijn grens –of is er wellicht eigenlijk al over heen?- dat ik weet dat de winkel een marteling voor hem zal worden. Ik probeer de vaart er in te houden, zodat we ook zo snel mogelijk weer thuis zijn.

Eenmaal in de winkel wil Nathalie perse met een mandje zelf lopen. Een ‘nee’ van mijn kant zal overduidelijk tot een echte peuterdriftbui met hoofdletter D leiden –Nathalie is een pittige- waarmee Christian vakkundig over zijn grens zal worden geduwd. Ik wil niet dat hij de controle compleet verliest, daar in die supermarkt, dus ik laat Nathalie met het mandje lopen. Eveline wil ook het mandje en even ga ik helemaal op in politieagentje spelen voor de dames. Nadat we afspraken hebben gemaakt merk ik op dat Christian niet meer naast me staat. Waar is Christian? Echt weglopen doet hij niet, maar ik heb hem toch graag in het zicht, zeker in openbare ruimtes. Ik roep hem, maar hij antwoordt niet. We zoeken tussen de schappen en in een van de gangen zie ik hem tenslotte zitten.

Zijn lichaamstaal spreekt boekdelen en mijn hart breekt. Ineengedoken zit hij op zijn hurken tegen een schap geleund. Zijn schouders hangen, zijn handen rusten slap op de vloer. Zijn ogen zijn dicht, zijn gezicht toont een gepijnigde uitdrukking. Hij lijdt. Ik raak zijn schouder aan en probeer hem overeind te krijgen. Aanvankelijk negeert hij mij, maar na een paar keer aandringen komt hij langzaam in beweging. Na een paar stappen laat hij zich weer op de grond vallen en gaat languit liggen. Ik maak er geen woorden aan vuil, maar pluk hem weer van de vloer af. Ik begin boodschappen in het mandje te laden, maar het gaat tergend langzaam omdat het veel tijd en energie kost om er voor te zorgen dat zowel Christian als Nathalie –die helemaal van het weglopen is!- bij me blijven en ik begin het zelf langzaam ook een marteling te vinden. Ik besluit meer dan de helft van boodschappen die ik aanvankelijk bedacht had niet mee te nemen en snel af te rekenen.

Ik kom thuis met drie broden, boter, een tros bananen en een zak appels. En een uitgeputte Christian die wegduikt achter zijn tablet met koptelefoon op om de onrust in zijn lijf en in zijn hoofd draaglijker te maken. Ben zelf ook moe en weet weer precies waarom ik zo hard mijn best doe om ‘even naar de winkel’ te vermijden als Christian bij me is. Ik voel me ook rot dat ik het hem heb moeten ‘aandoen’, terwijl ik van te voren al wist dat het (te) zwaar voor hem zou zijn. Beter mijn best gaan doen dus, om lege keukenkastjes te vermijden. Dat zou geen grote opgave moeten zijn…

*opmerking: ik wil absoluut niet de suggestie wekken dat ieder bezoekje aan een winkel op deze wijze verloopt, want dat is zeer zeker niet het geval. Op dagen dat hij beter in zijn vel zit gaat het aanzienlijk soepeler, kan hij veel meer aan (ook met honden) en is ‘even naar de winkel’ redelijk te doen. Helaas is nooit goed te voorspellen wanneer de goede en slechte dagen zijn.

Advertenties